Ademhalingsrevalidatie |
Ademhalingsoefeningen bij gehospitaliseerde patiënten.
Wat is ademhalingsrevalidatie? Ademhalingsrevalidatie is heel complex omwille van de verschillende pathologiën die er zijn.
Algemeen wordt er gesteld dat we het de patiënt pulmonair zo comfortabel mogelijk willen maken. Dit is echter niet zo evident. Aan de hand van de verschillende technieken en pathologiën proberen we zo een schets te maken van hoe wij ademhalingskine zien.
Technieken Bij alle ademhalingstechnieken wordt er steeds ingeademd via de neus en uitgeademd via de mond.
Buikademhaling: Bij het inademen wordt de buik bol gemaakt, terwijl de buik lichtjes ingetrokken wordt bij het uitademen. Deze vorm van ademhalen wordt eerst passief aangeleerd aan de patiënt. De therapeut duwt dan lichtjes op de buik bij het uitademen. Na enige tijd moet de patiënt zelf actief de buikademhaling kunnen uitvoeren. Deze vorm van ademhaling wordt vnl gebruikt bij kortademige patiënten, pre- en postoperatief bij chirurgie thv de borstkas, bij relaxatieoefeningen en als onderdeel van de geleide expectoratie (drainage) (zie verder)
Flankademhaling: Bij deze vorm van ademhalen plaatst de therapeut de handen thv de onderste ribben. Tijdens het uitademen duwt hij de ribben naar binnen toe, houdt de druk aan tijdens het begin van het inademen om dan de druk te lossen naarmate de patiënt dieper inademt. Deze vorm van ademhalen wordt voornamelijk gebruikt bij gelokaliseerde pathologiën en als onderdeel van de geleide expectoratie.
Borstkasademhaling: Idem als de flankademhaling, maar de therapeut plaatst de handen thv van de bovenste ribben. Deze vorm van ademhalen wordt in ons ziekenhuis minder gebruikt omdat het hyperventilatie in de hand kan werken bij sommige patiënten. Het wordt wel gebruikt als onderdeel van de geleide expectoratie.
Geleide expectoratie of drainage: Dmv een combinatie van buik-, flank- en borstkasademhaling proberen we secreties naar hoger gelegen longdelen te transporteren, om ze daarna op te hoesten.
Er wordt steeds gestart met een tracheale lediging (secreties in de bovenste longdelen ophoesten). Hiervoor wordt aan de patiënt gevraagd om diep in te ademen, eventjes de adem op te houden en daarna krachtig te hoesten. Het hoesten kan door de therapeut manueel ondersteund worden. Hiervoor plaatst hij een hand op de borstkas en een hand op de buik en geeft hij een druk naar boven toe.
Nu de bovenste longdelen vrij zijn van secreties, kunnen de secreties uit de dieper gelegen longdelen naar boven getransporteerd worden. Dit heet perifere lediging. De patiënt ademt hiervoor eerst met de buik, vervolgens met de flanken en daarna met de borstkas. Hij ademt steeds traag en diep in, houdt even de adem op om daarna langzaam uit te ademen. Ook trapsgewijs ademen kan hier toegepast worden. Na de perifere lediging wordt opnieuw een tracheale lediging uitgevoerd om de getransporteerde secreties op te hoesten.
Aanleren puff: Correct aanleren van gebruik van een puff om zo weinig mogelijk medicatie te verliezen tijdens het gebruik ervan. Schudden, lang uitblazen, diep inademen via de mond (opzuigen) en puffen, mond sluiten, uitademen via de neus en opnieuw krachtig inademen via de mond.
Houdingsdrainage: Door een patiënt in een bepaalde houding te plaatsen kunnen lokale ophopingen van secreties gedraineerd worden.
Baq-squeezing: Deze techniek wordt enkel en alleen gebruikt bij geventileerde patiënten die volledig verdoofd zijn. Voornamelijk bij patiënten met atelectase(longverdichting) om deze regionen terug te openen.
Actieve oefeningen: Vanaf het moment dat de patiënten even zonder zuurstof kunnen wordt er meer fysisch gewerkt. Zowel bij kortademige patiënten als bij patiënten met veel secreties.
Hierdoor krijgen we een verhoogde ventilatie, verhoging van het inspanningsvermogen en een beter mucustransport.
Triflo Ballon (vooraf inlichting of de patiënten geen latexallergie hebben) Elastische velcrobanden (pediatrie)
Pathologiën
Kortademige patiënten: Bij deze patiënten leggen we de nadruk op het langzaam in- en uitademen (een ademstop na iedere inspiratie en iedere expiratie) met de flanken en de buik. Een borstkasademhaling moet vermeden worden om zo hyperventilatie te voorkomen. Hierbij maken we ook veeleer gebruik van een triflo (volwassenen) en andere hulpmiddelen (ballonnen, rietjes,... voor kleine kinderen)
Patiënten met veel secreties: Bij deze patiënten wordt de geleide expectoratie toegepast. Gaat het om lokale ophoping van secreties, dan wordt de geleide expectoratie geconcentreerd op dat bepaalde longdeel en gecombineerd met houdingsdrainage.
Geventileerde patiënten: Bij deze patiënten ligt de nadruk vooral op het openhouden, vergroten en draineren van de longen. Omdat de patiënt weinig kan meewerken, gebeurt hier alles passief. De therapeut volgt de ademhaling die door het toestel wordt opgelegd. Eens de inspiratie ingezet wordt door het toestel houdt hij nog even een druk aan om deze dan plots los te laten om zo een grotere inspiratie te verkrijgen (schrikeffect). Bij de expiratie wordt er terug druk gegeven om zo een geforceerde expiratie te bekomen. Deze techniek wordt zowel met de buik-, flank- als borstkasademhaling uitgevoerd.
Pediatrische patiënten: Eerst geven we een tapotage om de patiënten wat te relaxeren, daarna terug een buik-, flank- en borstademhaling. Meestal zijn het passieve ademhalingsoefeningen aangezien de zeer jonge leeftijd van de patiënten. We geven de ouders een elastische velcroband mee om zo thuis de ademhalingsspieren progressief te versterken.
Enkele voorbeelden
Atelectase li long bovenste kwab: Hierbij gaan we de linker longhelft stimuleren door de rechter long ( en eventueel ook het onderste deel van de linker long) gedeeltelijk te fixeren, zodat de linker bovenhelft van de long goed open komt en zoveel mogelijk O2 opneemt. Alsook door de patiënt op zijn rechter zijde. Als ademhalingsoefeningen gebruiken we hier de methode van diep inademen (trapsgewijs), adem even ophouden en zeer traag uitblazen.
Pneumonie li basaal: Hierbij worden de verschillende ademhalingstypes uitgevoerd met de nadruk op buik- en flankademhaling links. Bij de flankademhaling lichte weerstand geven bij het begin van de inspiratie en loslaten naar het einde van de inspiratie toe zodat we een schrikeffect bekomen en het basale deel goed geventileerd wordt. Bij een linker pneumonie wordt de patiënt op zijn linker zijde gelegd omdat de secreties (vnl. kleinere secreties) bewegen tegen de zwaartekracht in. Hierbij maken we ook gebruik van de trage inspiraties en trage expiraties (diepe long).
Pre- en postoperatief
Preoperatief:
Preventief: aanleren van de juiste ademhalingstechnieken, longtoilet (drainage ). Vb.: bij copd patiënten en risicopatiënten (rokers, ouderen, ...) Curatief: behandelen van eventuele aanwezige luchtweginfecties.
Postoperatief:
Langdurige anesthesie kan een invloed hebben op de longen. Daarom worde de 1° dag postoperatief de ademhalingsfuncties gecontroleerd. Hebben de patiënten te veel secreties, dan wordt de expectoratie aangeleerd. Bij de geopereerde wordt de wonde goed ondersteund bij het hoesten. Alle geopereerde patiënten worden ook gemobiliseerd en wordt er zo snel mogelijk gestart met de gangrevalidatie.
Voornaamste operaties: Vaatoperatie Buikoperatie Longoperatie Neurochirurgie Keeloperatie Orthopedische operatie
Afdelingen Intensieve zorgen Hartbewaking Cardiologie en pneumologie Interne heelkunde Oncologie Pediatrie RESPIRATOIRE REVALIDATIE BIJ AMBULANTE PATIËNTEN
Bij bepaalde longpatiënten treden naast ademhalingsproblemen ook andere problemen op zoals spierzwakte of het steeds sneller kortademig worden bij inspanning. De spierzwakte en de beperkte inspanningscapaciteit heeft bij deze patiënten een belangrijke impact op hun leven. Ze kunnen steeds minder activiteiten uitvoeren tot ze uiteindelijk een sedentair leven gaan leiden. Om dit tegen te gaan volgen deze patiënten een respiratoir revalidatieprogramma. Dit programma bestaat uit verschillende onderdelen:
Inspanningsoefeningen
Deze oefeningen bestaan voornamelijk uit het lopen op de loopband en fietsen. Naast het verbeteren van de inspanningscapaciteit, leren deze oefeningen de patiënt ook beter omgaan met kortademigheid. Daardoor zal de patiënt in het dagelijks leven ook minder snel zijn activiteiten stopzetten omwille van tekenen van kortademigheid.
De inspanningsoefeningen kunnen zowel als duurtraining of als intervaltraining gegeven worden, afhankelijk van de mogelijkheden van de patiënt. Vb: een patiënt moet 10 min fietsen. Hij kan die 10 minuten aan een stuk fietsen (duurtraining) of hij kan die 10 minuten opsplitsen in 5 keer 2 minuten fietsen (intervaltraining).
Krachtoefeningen
Dit zijn spierversterkende oefeningen, voornamelijk voor de beenspieren, maar ook de armspieren kunnen versterkt worden.
Ademhalingsoefeningen
Aan de patiënt wordt de borst-, flank- en buikademhaling aangeleerd, alsook het efficiënt leren ophoesten van secreties. Het is de bedoeling dat de patiënt thuis zelfstandig deze oefeningen uitvoert. Op regelmatige tijdstippen tijdens de revalidatiesessies worden de ademhalingsoefeningen nog eens herhaald en wordt er gecontroleerd of de patiënten de oefeningen nog steeds goed uitvoeren.
De patiënten die het respiratoir revalidatieprogramma volgen, zijn hoofdzakelijk patiënten met COPD. Maar ook patiënten met astma of mucoviscidose of patiënten die een longoperatie (lobectomie of pneumectomie) of longtransplantatie ondergingen kunnen in aanmerking komen voor het revalidatieprogramma.
De patiënten die het longrevalidatieprogramma volgen, komen 3 maal per week trainen gedurende ongeveer 20 weken. |
|
|
|
|
 |
|
|
 |
|